Historisch Archief Beltrum

Zoeken

Onderwijs Beltrum

Beltrum als zelfstandige eenheid binnen de heerlijkheid Borculo begint in 1236 als de jonker van Borculo de nederzetting Groenlo verkoopt aan de graaf van Zutphen. Groenlo wordt Gelders, maar de tot de parochie Groenlo behorende buurtschappen Beltrum, Lintvelde, Avest en Zwolle blijven bestuurlijk tot de Heerlijkheid Borculo behoren. Om het gemakkelijker te kunnen besturen werd de Heerlijkheid opgedeeld in vier voogdijen, te weten Geesteren, Eibergen, Neede en Beltrum. De voogdij Beltrum bestond uit de buurtschappen Beltrum, Lintvelde, Avest en Zwolle.

 

Voogdij Beltrum bleef dus kerkelijk op Groenlo georiënteerd. Na de Reformatie bleef de voogdij dan ook praktisch geheel katholiek. De heer van Borculo bestuurde de voogdij en hij was de erfmarkenrichter. De belangrijkste functionaris was de voogd, die soms werd bijgestaan door een ondervoogd. Verder waren er de rotmeesters. Deze functie was erfelijk aan bepaalde boerderijen verbonden en hield in dat zij de ingezetenen in hun rot (= een aantal buurtgenoten) moesten oproepen
tot het verrichten van diensten ten behoeve van het Huis Borculo. Ook gaven zij leiding aan het repareren van de wegen.
Ongeveer tegelijkertijd (in de Middeleeuwen) ontstonden in steden de Gilden. Zo is enigszins vergelijkbaar dat op het platteland de Marken ontstaan. Er wordt aangenomen dat in Oost-Nederland de Marken zijn ontstaan rond de 13de eeuw. Grondeigenaren sloten zich aaneen in markegenootschappen om het behoud van de ongecultiveerde en ongedeelde gronden voor het in stand houden van het eigen bedrijf. Zo wil men de ontginningen van de niet-cultiveerde gronden tegengaan. Een markgenootschap was een organisatie waarvan de leden afspraken maakten om het gebruik van de gemeenschappelijke gronden, de mark, te beperken. Een Marke bestond vooral uit woeste gronden, nog niet in cultuur gebrachte velden, bos en heide. Voor het toenmalige landbouwsysteem was het onmisbaar. Het leverde hout, turf en heideplaggen. De marke is gelijk te stellen met het gebied van de buurtschappen. In de voogdij Beltrum hadden de vier buurtschappen hun eigen markegronden. Toch had men vaak gezamenlijke markevergaderingen, in het Nienhuis of bij Hassink, omdat de markerichter bij elke marke nu eenmaal de heer van Borculo was.

De Markeschool

Het onderwijs in Nederland is nog niet via landelijke wetten georganiseerd. De steden regelen het onderwijs via de stadsbestuurders en het onderwijs op het platteland wordt geregeld door de staten van elk gewest in nauw overleg met de kerk in die regio. Hier was de heer van Borculo degene die scholen ten plattelande in stand hield. Er is erg weinig bekend over de eerste school in Beltrum. In de 14de en 15de eeuw kwamen er geleidelijk meer scholen en wel in de steden, maar niet op het platteland. In de 16 de eeuw konden in principe alle kinderen onderwijs volgen, maar de plattelandskinderen waren veelal al in het arbeidsproces opgenomen. Het onderwijs in Beltrum valt dus bestuurlijk onder de Heer van Borculo. Sinds de Reformatie liet de heer van Borculo de benoeming van de onderwijzer over aan de Classis van Zutphen. De Classis van Zutphen kun je beschouwen als een soort overkoepelende organisatie van de protestante kerkgemeenschappen in de Achterhoek. Het onderwijs, zoals reeds gezegd, viel onder de verantwoordelijkheid van de lokale overheid, lees de heer van Borculo, maar de kerk (lees de Classis van Zutphen) bleef er wel toezicht op houden. De praktische uitvoering lieten ze over aan de marken, die verantwoordelijk waren voor het onderhoud van het schoolgebouw. Het was de tijd van de Republiek (perioden van 1600 – 1800). De onderwijzer moest iemand zijn die het ‘ware geloof’ een warm hart toe droeg en die de godsdienst ook uit wilde dragen. Erger nog: het leesonderwijs in die tijd stond in dienst van het godsdienstonderricht. Het doel was dat de kinderen de bijbel konden lezen en de teksten/psalmen uit de gebedenboeken. Uit een archiefstuk dat ongeveer rond 1655 gedateerd kan worden, blijkt dat er al een school in Beltrum is en een schoolmeester. Een zekere Antonij Vilet verzoekt in een brief aan de Classis van Zutphen om overplaatsing. Hij kon aan de kinderen niet het “ware” geloof kwijt, omdat de katholieke bevolking zeer obstinaat en weerbarstig was. Men gaat in Groenlo te kerke en ook de gebeden van de christelijke gereformeerde godsdienst wil men niet leren.

 

De boeren uit Beltrum, groot en klein, die rechten hadden in de markegronden, moesten een schoolgebouw in stand houden. De locatie van de Markeschool was aan de huidige Poeldersdijk, nabij ‘de drie dennen’, op het erf van de boerderij ‘Beeken’.

 

De komst van de Fransen in 1795 brengt nog niet direct veel verandering op onderwijsgebied. Maar de onderwijswetten van 1801, 1803 en 1806 zorgden voor ingrijpende veranderingen voor het lager onderwijs in de Nederlandse schoolsituaties. Alle bepalingen gingen landelijk gelden. De wet van 1801 regelt toezicht op het onderwijs en zegt dat het onderwijs slechts kan verbeteren als het landsbestuur het onderwijs tot een voorwerp van zijn zorg zou maken. Er komen ook schoolopzieners. In de wet van 1803 worden er eisen aan de bekwaamheid van de onderwijzer gesteld. Zij moesten een examen afleggen om benoembaar te zijn aan een openbare lagere school. De onderwijswet van 1806 regelt o.a. onderwijs aan meisjes. Alle gesubsidieerde onderwijs is openbaar onderwijs en het niet-gesubsidieerde onderwijs heet bijzonder onderwijs. (Alle dorpsscholen werden uit overheidskas betaald en waren dus openbare lagere scholen.)
Op de openbare school was het geven van godsdienstonderwijs door de onderwijzer verboden. De wet rekende erop dat de bestaande kerkgenootschappen het godsdienstonderwijs zelf ter hand zouden nemen, via eigen Kerk of Gemeente. In deze wetten werden ook zaken geregeld als terugdringen van lijfstraffen, het gebruik van het schoolbord en de invoering van een onderwijsinspectie. Het hoofdelijk onderwijs werd klassikaal onderwijs, er mochten maximaal 70 leerlingen in een lokaal zitten.
In Beltrum hebben we nog steeds met hetzelfde – in slechte staat verkerende – schoolgebouw te maken. De school wordt nu Neder-Duitse schole genoemd. In de verschillende archieven komen we steeds vaker stukken tegen die de slechte staat van de Markeschool beschrijven. En er gaan stemmen op om tot de bouw van een nieuwe school over te gaan.
Reeds bij het opheffen van de gemeente Beltrum in 1819 is er een rapport over de toestand van de school uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat de school veel te klein is voor het grote aantal leerlingen en dat de school in zeer slechte toestand verkeerde. In 1823 richt het gemeentebestuur van Eibergen een brief aan de koning met het verzoek uit ’s Rijks kas eene toelage voor een schoolgebouw te verkrijgen. Geleidelijk is de gemeente in staat de kosten te dragen en in 1832 is er dan ook een staat van begroting der kosten wegens bouwen nieuwe school te Beltrum. In totaal is een somme van ƒ1979,91, aldus het gemaakte bestek. In het jaarverslag van de gemeente uit het jaar 1832 kunnen we lezen dat het bouwen eener nieuwer School te Beltrum is aanbesteed en daarmee reeds een begin is gemaakt … Opgemaakt den 20 februari 1833, w.g. P.R.J.W. van Heeckeren In het verslag van de raad van 16 juli 1833 valt te lezen dat de nieuwe school thans is daargesteld.
Dat is dan ‘de eerste openbare school te Beltrum. Deze was gesitueerd aan de Grolse Steeg, nu Meester Nelissenstraat op het voormalige ABTB-terrein (tegenover de Hassinkstraat). De komst van de school naar deze plek kan gezien worden als de eerste aanzet tot het ontstaan van het dorp Beltrum.

Bron: Meeste informatie en teksten komt uit het boek ‘Van ganzenveer tot toetsenbord’.